De Stoute Bekentenis van Blanquette: Hoe de Berg Me Verslond
Op de flanken van de berg, waar de zon mijn vacht likt als een gulzige tong, voelde ik het opkomen. De châtaigniers bogen door, streelden mijn flanken. Genêts ontploften in geel vuur onder mijn hoeven. Gras, mals en dentelé, gleed over mijn tong, vulde me met hitte. Mijn hartslag donderde al. Chamois cirkelden om me heen, hun spieren glanzend van zweet, ogen vol honger. We lachten, raakten aan, huid tegen huid in de wilde wind. De dag was een orgie van vrijheid, mijn lijf tintelde, klaar om te barsten.
Avond viel, violet en zwaar. Wind koelde mijn gloeiende flanken niet. Een huil sneed door de lucht. De wolf. Ogen fonkelend, oren spits. Mijn bloed kookte, angst en lust vermengd. Ik vluchtte, hoeven trillend, hart razend in mijn keel. Zweet droop langs mijn ribben. Uitgeput viel ik bij de chamois, hun warmte omhulde me. Ze lachten om mijn verhaal. ‘Oud beest,’ zeiden ze. ‘Geen gevaar. Alleen een eenzame schaduw.’ Maar ik voelde zijn blik nog, bezitterig, belovend pijn en extase.
De Koorts
Dagen van zaligheid. Gras kietelde mijn tong, zon brandde op mijn rug. Mijn huid pulseerde, verlangen groeide als een koorts. De wolf loerde, maar wij negeerden hem, onze lichamen verstrengeld in spel.
Toen brak het los. Lammetjes spetterden bij de poel, onschuldig, nat en glanzend. Hun spel deed mijn lende trillen. De wolf zat daar, mager, ogen vol concupiscentie. Hij staarde, kwijlde bijna. Mijn metgezellen voelden het ook. Hartslagen versnelden. Zweet brak uit. We stormden op hem af, een golf van vlees en cornes.
Het Vuur
Zijn ogen werden groot, verrast. Hij zat vast, op zijn achterwerk, kwetsbaar. Onze cornes raakten hem, scheurden huid, bloed warm en plakkerig. Mijn hart bonkte wild, adrenaline golfde door mijn aderen. Hij vocht terug, tanden flitsten, klauwden. Ik voelde zijn adem heet op mijn flank, zijn kracht nog rauw. Tien keer duwde hij ons weg. Likte zijn wonden, ogen vol wanhoop en vuur. Maar wij waren met velen. Onze hitte overweldigde hem.
Ik drukte toe, mijn corne diep in zijn zij. Zijn blik ving de mijne, oneindige tristesse, maar geen genade. Hoeveel zachte lijven had hij verslonden? Jouw geiten, meneer Seguin, allemaal. Mijn razernij piekte, zweet mengde met zijn bloed. Een laatste stoot, diep, verscheurend. Hij zakte in, leven ebde weg. Mijn lijf beefde van ontlading, hitte golfde na.
Terug in de stilte, huid nog brandend, hartslag traag wordend. De berg ademde met me mee. Lammetjes dartelden vrij, ons genot compleet. Ik daalde af, meneer Seguin, om te vertellen. Maar de as smeult nog. De controle verloren, teruggewonnen in bloed en zweet. Vrijheid smaakt naar hem, naar ons. Ik keer terug, naar boven, waar het vuur wacht.
Post Comment