Stoute Bekentenis: De Verleiding in het Atelier van Paul

Zijn atelier slokt me op. Toiles overal, Sacré-Cœur staart me aan. Paul draait zich om, zijn massieve lijf vult de ruimte. Ogen donkerblauw, hongerig. Mijn knieën trillen. Ik slik, lucht dik van verf en zweet. Hij lacht laag, komt dichterbij. Hand op mijn arm, warm, ruw. Hartslag dreunt in mijn oren. Bloed kookt. Ik ruik hem, man, oudere man, sigaren en lust. ‘Ga zitten,’ gromt hij, duwt me op de krakende stoel. Zijn vingers glijden over mijn schouder, neerwaarts. Balconnet van mijn bh puilt uit met zijn kaartje, nog steeds daar. Hij ziet het, grijnst. ‘Jij bent gekomen voor meer dan poseren.’ Mijn tepels harden onder stof. Adem stokt. Hij bukt, lippen bij mijn oor. ‘Laat me je zien.’ Handen rukken aan knopen. Bloes open, borsten bloot. Koude lucht bijt, maar zijn palm warmt. Duim over tepel, cirkelt. Ik hijg. Alles rood. Verlangen slaat toe als hamerslag. Ik grijp zijn shirt, trek hem omlaag. Mond op mond, tongen vechten. Smaak van wijn en verf. Zijn greep in mijn haar, trekt hoofd achterover. Tanden in nek. Huid brandt. Ik voel zijn hardheid tegen mijn dij. Dringend, dik. Mijn kutje pulseert, nat al. ‘Neuk me,’ fluister ik, stem gebroken. Controle weg. Alleen vuur nu.

Hij scheurt mijn rok omhoog. Geen tijd voor finesse. Broekriem klikt, zijn pik springt vrij. Groot, kloppend, aders gezwollen. Ik spreid benen, hij duwt binnen. Ruw, diep. Ik schreeuw, pijn en genot mengen. Hij pompt, hard, genadeloos. Zweet druipt van zijn borst op de mijne. Huid glijdt, kleverig. Mijn nagels in zijn rug, bloedrode striemen. Hij gromt, bijt in mijn schouder. Elke stoot raakt mijn kern, vuurwerk achter ogen. Ik klem om hem heen, melk hem. ‘Harder,’ hijg ik. Hij tilt me op, tegen ezel. Toile valt, verf spettert. Benen om zijn middel, hij ramt omhoog. Ballen slaan tegen mijn kont. Hart bonst synchroon. Geur van seks, zweet, olie. Ik kom, schokkend, sappen gutsen. Hij brult, spuit diep, heet zaad vult me. We zakken ineen, hijgend, trillend.

De Koorts

Lichamen plakken, zweet koelt traag. Zijn pik glijdt uit, zaad druipt langs dij. Huid gloeit nog, rood van vingerafdrukken. Ik lig op de vloer, verf smeert op mijn rug. Hij streelt mijn haar, zacht nu. ‘Je bent vuur,’ mompelt hij. Hartslag zakt, maar echo blijft. Buiten hoorden we boches marcheren, maar hier alleen ons gehijg. Ik glimlach, voldaan, gevaarlijk. Dit was totaal, verslindend. Iets unieks, gebrand in vlees. Ik sta op, benen slap. Kleren rommelig, maar ik voel me vrouw, bezeten en bezitster. Zijn kaartje? Weggesmeten. Maar dit geheugen, eeuwig. Ik glijd naar buiten, Montmartre ademt om me heen. As smeult nog, klaar voor nieuw vuur.

Post Comment

You May Have Missed