Stoute Bekentenis: De Verboden Nacht met Hortense
De herbergkamer bij de poorten van Parijs rook naar oud hout en paardenpis. Drie dagen rijden met Sillery hadden mijn bloed doen koken. Hij sliep in de kamer naast de mijne, zijn ademhaling rustig door de dunne muur. Ik lag op het stro, naakt onder de deken, mijn spieren nog strak van de galop. Toen kraakte de deur. Zij. Hortense. Haar silhouet in het maanlicht, jurk gescheurd van de reis, ogen gloeiend als kolen. Ik haatte haar. Die gifslang die mijn vader had gebroken. Maar haar huid scheen, parelachtig, bezweet van de nachtelijke tocht. Ze had me gevolgd. Wraak? Of honger? Mijn hart bonsde als een oorlogstrom. Ze stapte dichterbij, haar borsten hijgend onder de stof. ‘Je kunt me niet doden, Pharamond,’ fluisterde ze, haar lippen vochtig. Ik greep haar pols. Hard. Haar polsslag joeg tegen mijn vingers, snel, wild. Woede kolkte op, maar lager, dieper, zwol iets aan. Een hitte die mijn lendenen deed zwellen. Ze lachte laag, duwde haar heup tegen de mijne. Ik rook haar mosus, zout van zweet. Alles werd rood. Mijn greep verslapte niet. Ik trok haar op het bed. Haar jurk scheurde. Haar tepels hard, donker. Mijn mond droog. Hartslag dreunde in mijn oren. Drang. Onstuitbaar. Ik wilde haar breken. Of bezitten. Beide. Haar nagels krasten mijn borst. Bloed drupte. Pijn vuurde het vuur aan. Ze kronkelde, benen gespreid. ‘Neem me, Cavalier,’ hijgde ze. Mijn pik klopte, hard als staal. Geen rede meer. Alleen honger.
Haar dijen omklemden me als een bankschroef. Ik stootte toe, diep, rauw. Ze schreeuwde, nagels in mijn rug. Zweet droop van mijn voorhoofd op haar borsten. Glibberig. Warm. Haar kut nat, strak, slokte me op. Elke stoot een explosie. Hartslag syncroon, razend. Ik ramde harder, haar heupen stuiterend tegen de mijne. Huid kletste nat. Haar adem heet in mijn nek, kreunen als gehuil. Ik beet in haar schouder. Zout. Bloed. Ze kromde, klauwde, kwam klaar. Spieren melkten me. Maar ik stopte niet. Greep haar haar, trok haar hoofd terug. Ogen wild, pupillen zwart. ‘Meer,’ gromde ze. Ik draaide haar om, op handen en knieën. Billen rood van eerdere correctie, nu trillend. Ik duwde in, tot het eind. Diep. Haar rug gebogen, zweet parelend. Mijn ballen kletsten tegen haar. Urgentie bouwde op, een storm. Haar vingers graaiden het stro. Ik sloeg haar kont, hard. Ze gilde, duwde terug. Wild. Ongefilterd. Mijn hart explodeerde bijna. Hitte golfde door mijn schacht. Ze draaide haar hoofd, tong uit, likte mijn arm. Vieze slet. Goddelijk. Stoten versnelden. Zweet vloog. Haar tweede climax kneep me dicht. Ik brulde, pompte leeg. Zaad spoot heet, diep in haar. Trillend. Verslonden.
De Koorts
We zakten in elkaar. Haar hoofd op mijn borst, hartslag nog galopperend. Mijn huid brandde, bezweet, plakkerig. Haar vingers streken traag over mijn buik, nat van ons. Stille kamer, alleen ons gehijg. Parijs wachtte morgen, met koningen en moord. Maar nu dit. Uniek. Gevaarlijk. Ze tilde haar hoofd, lippen gezwollen. Kuste me traag, tong diep. Smaak van zweet en bloed. Haat sluimerde nog, maar voldoening won. Mijn pik twitched in haar, halfhard. Ze glimlachte sluipend. ‘Dit verandert niets,’ mompelde ik. Maar mijn hand bleef op haar kont, knedend. Warmte pulseerde na. Rust daalde, loom. Haar adem werd gelijkmatig. Ik staarde naar het plafond, huid tintelend. Iets gebroken. Of geboren. De nacht koelde af, maar wij brandden door. Morgen de Cavalier. Vannacht man. Verslonden door impulsen. Genot totaal.
Post Comment